Wat zong het vrolijk vogelkijn,
Dat in de boomgaard zat!

Hoe heerlijk blinkt de zonneschijn
van rijkdom en van schat!
Hoe ruist de koelte in ’t eiken hout,
En vers gesproten lof!
Hoe straalt de boterbloem als goud!
Wat heeft de wildzang stof!

Wat is een dier zijn vrijheid waard!
Wat mist het aan zijn wens;
Terwijl de vrek zijn potgeld spaart!
O slaaf! O arme mens!
Waar groeien eiken t’ Amsterdam? 
O kommerzieke Beurs,
Daar nooit genoegen binnen kwam!
Wat mist die plaats al geurs!

Wij vogels vliegen, warm gedost,
Gerust van tak in tak.
De hemel schaft ons drank en kost,
De hemel is ons dak.
Wij zaaien noch wij maaien niet:
Wij teren op de boer.
Als ’t koren in zijn aren schiet
Bestelt al ’t land ons voer.
Wij minnen zonder haat en nijd,
En dansen om de bruid;
Ons bruiloft bindt zich aan geen tijd,
Zij duurt ons leven uit.

Wie nu een vogel worden wil,
Die trekke pluimen aan,
Vermij de stad, en straatgeschil, 
en kieze ruimer baan.

Joost van den Vondel